De geschiedenis herhaalt zich – doodseskaders duiken weer op in bezet Ierland

Geschreven door Gavin O’Reilly
Vanaf de aankondiging dat Groot-Brittannië in juni 2016 had gestemd voor een vertrek uit de Europese Unie, tot het moment dat Londen het blok in januari 2020 definitief verliet, was de belangrijkste kritiek van de mainstream media op Brexit dat het zou leiden tot een geweldsuitbarsting in het bezette noorden van Ierland, waarbij de grensinfrastructuur tussen de zuidelijke EU-lidstaat Ierland en het door de Britten geregeerde noordoosten onvermijdelijk een doelwit zou worden voor een oplevende Ierse republikeinse beweging.

Hoewel het akkoord van Belfast van 1998 wereldwijd werd geprezen als een “vredesakkoord” dat een einde maakte aan 30 jaar conflict, was het Goede-Vrijdagakkoord in feite een overleveringsakkoord tussen de Britse regering en de Provisional IRA, het hoogtepunt van jarenlange infiltratie op het hoogste niveau van de eens revolutionaire beweging door Britse agenten.

In de 24 jaar, die sinds de ondertekening van de GFA zijn verstreken, hebben veel republikeinen echter getracht, het oorspronkelijke doel van de IRA, namelijk de oprichting van een onafhankelijke republiek met 32 districten, voort te zetten. Momenteel kwijnen meer dan 40 Ierse republikeinse gevangenen weg in Britse gevangenissen en gevangenissen van de Vrijstaat, en vinden er nog steeds sporadische aanvallen op Britse bezettingstroepen plaats, zij het niet meer op het intensiteitsniveau van de jaren 70 en 80.

In de berichtgeving van de mainstream media over Brexit kwam hier het vooruitzicht van een “harde grens” om de hoek kijken, waarbij de douaneposten tussen beide jurisdicties in Ierland bemand zouden worden door de 5.000 Britse troepen die nog steeds in de bezette zes graafschappen verblijven, en onvermijdelijk een doelwit zouden worden voor Ierse republikeinen met fysiek geweld.

Er schuilt dan ook een zekere ironie in het feit dat twee jaar na het vertrek van Groot-Brittannië uit de Europese Unie, de krachtigste dreiging van geweld als gevolg van Brexit tot nu toe in feite afkomstig is van pro-Britse loyalisten, de nakomelingen van Engelse en Schotse kolonisten die in de 17e eeuw in de Noord-Ierse provincie Ulster zijn neergestreken.

Het Ierse protocol van Downing Street, dat de bezette zes graafschappen in feite in de douane-unie van de EU houdt, door middel van controles op goederen die vanuit Groot-Brittannië over zee de regio binnenkomen, wordt door de loyalisten gezien als een ondermijning van de Britse bezetting, waaronder zij willen blijven en ook als een opstapje naar Ierse hereniging.

Na de beëindiging van het terugtrekkingsakkoord vorig jaar en het officiële vertrek van Groot-Brittannië uit de interne markt van de EU, zouden de loyalisten op dit pas ingevoerde protocol reageren met rellen in de hele regio, aanvallen op de pro-Britse koloniale politiemacht, die zij van oudsher steunen en wereldwijde aandacht voor het bezette noorden van Ierland brengen, iets wat in decennia niet is voorgekomen.

De spanningen zouden in maart van dit jaar opnieuw de kop opsteken, toen Simon Coveney, minister van Buitenlandse Zaken van de zuidelijke Ierse deelstaat van 26 graafschappen, die door de Loyalisten wordt beschouwd als een sleutelfiguur bij de uitvoering van het Protocol, moest worden geëvacueerd van een officieel evenement in Belfast, na een bommelding van de terroristische groepering van de Loyalisten, de Ulster Volunteer Force (UVF).

Hoewel de huidige campagne van de Loyalisten, op het ogenblik van weinig intensiteit is, vertoont zij een grimmige gelijkenis met de campagne, die in het midden van de jaren ’60 begon in antwoord op de roep om gelijke rechten voor Ierse Nationalisten, die in de bezette zes graafschappen woonden, een campagne van benzinebombardementen op eigendommen van Nationalisten, die uiteindelijk zou escaleren in 30 jaar etnische zuivering en wreedheden die werden uitgevoerd in samenwerking met de Britse militaire inlichtingendienst.

Toen vreedzame burgerrechtenactivisten telkens wanneer zij in het bezette Ierland de straat opgingen, door een pro-Britse politiemacht werden gestenigd en met traangas werden bestookt, groeide de steun voor het militante republikeinse gedachtegoed snel.

Om de dreiging van de opkomende Provisional IRA tegen te gaan, werd de Military Reaction Force (MRF), een clandestiene Britse speciale eenheid, naar bezet Ierland gestuurd met de bedoeling een burgeroorlog te ontketenen tussen Ierse Republikeinen en Loyalisten, en zo de aandacht van de IRA af te leiden van de Britse troepen die in 1969 naar de regio waren gestuurd om het bewind van Downing Street af te dwingen.

Daartoe maakte de MRF gebruik van de modus operandi van drive-by schietpartijen op ongewapende nationalistische burgers, in de hoop dat de IRA de loyalisten de schuld in de schoenen zou schuiven.

De eenheid zou echter in december 1971 rechtstreeks met de Loyalisten samenwerken, toen ze een UVF-team vrije doorgang verleenden om McGurk’s Bar in de republikeinse wijk New Lodge in Belfast te bombarderen, waarbij 15 burgers omkwamen en de formele betrekkingen tussen de Britse militaire inlichtingendienst en de Loyalistische doodseskaders een aanvang namen.

Deze relatie zou nog geen drie jaar later de kop opsteken toen de UVF – onder leiding van de opvolger van de MRF, de Special Reconnaissance Unit (SRU) – drie niet vooraf bekend gemaakte autobommen tot ontploffing bracht in Dublin en één in het grensgraafschap Monaghan, waarbij 34 doden vielen in wat het grootste verlies aan mensenlevens op één dag was in de 30-jarige conflictperiode.

Het bombardement op de hoofdstad van de 26 graafschappen tellende staat werd gezien als een waarschuwing aan Dublin, om niet af te wijken van zijn traditioneel pro-Britse houding, die op dat moment verzwakt was door de wreedheden van de Britse troepen in het bezette noorden.

Hoewel er in de 26 Counties uiteindelijk geen aanslagen meer zouden worden gepleegd op dezelfde schaal als in Dublin en Monaghan, zou het Britse beleid, om in het noorden van Ierland met doodseskaders te opereren, onverminderd worden voortgezet, dat aan het begin van de jaren tachtig ook plaats zou bieden aan de Ulster Defence Association (UDA).

Hoewel de UDA nog niet verantwoordelijk was voor dezelfde opvallende aanslagen als haar tegenhanger, deed zij de UVF in het niet vallen, wat ledenaantal betreft, dat op zijn hoogtepunt <a href=”https://cain.ulster.ac.uk/othelem/organ/uorgan.htm”>40.000</a> bedroeg.

Hiermee rekening houdend en met het feit dat de UDA betrokken was bij dezelfde bloedige etnische zuiveringscampagne als de UVF, duurde het niet lang voordat Londen het potentieel van de groep als proxy zag, en zo werd de Force Research Unit (FRU) geboren.

De FRU, een geheime eenheid in dezelfde geest als de MRF en de SRU, had tot doel de UDA om te vormen tot een meer “professionele” strijdmacht, die zich zou richten op IRA-leden, in plaats van zich uitsluitend bezig te houden met de traditionele Loyalistische tactiek van het doden van ongewapende Nationalistische burgers.

Om deze strategie uit te voeren, werd Brian Nelson, een hooggeplaatst UDA-lid, gerekruteerd om in 1985 naar Zuid-Afrika te reizen, om wapens te kopen van de officiële defensieaannemer van de toenmalige apartheidsstaat, Armscor, een deal die zou leiden tot een dodelijke escalatie van de genocidale campagne van de groep, tegen de nationalistische bevolking, en die uiteindelijk zou resulteren in de executie van mensenrechtenadvocaat Pat Finucane.

Finucane, afkomstig uit Belfast, zou in de jaren ’80 een doorn in het oog van het Britse establishment worden door het verdedigen van verschillende prominente Republikeinen, waaronder hongerstaker Bobby Sands.

De laatste druppel die de emmer deed overlopen was in november 1988, toen hij met succes een aanklacht liet intrekken tegen een IRA-vrijwilliger, in verband met de dood van twee Britse soldaten.

Drie maanden later sloeg een UDA-eenheid Finucane’s voordeur in, toen hij met zijn gezin aan het zondagsdiner zat en schoot hem veertien keer dood. Zijn executie was drie weken eerder effectief bekrachtigd door Downing Street, toen kabinetslid Douglas Hogg van Thatcher in het Lagerhuis verklaarde, dat er advocaten waren die “onterecht sympathiseerden met de zaak van de IRA”.

Zowel de UDA als de UVF zouden deze geweldscampagne tegen de Nationalistische gemeenschap nog vijf jaar voortzetten. Het officiële einde kwam in oktober 1994, toen beide organisaties verklaarden dat zij “alle operationele vijandelijkheden zouden staken” als reactie op het eerdere staakt-het-vuren van de Provisional IRA in augustus van dat jaar.

Hoewel beide groepen nog steeds bestaan, richtten zij in de jaren na het staakt-het-vuren hun wapens vooral op elkaar in veten van interne conflicten.

Als wij de recente berichten in de media mogen geloven, dat de UVF zich voorbereidt om opnieuw te bewapenen, indien het protocol ongewijzigd blijft, zou de huidige campagne van de Loyalisten wel eens kunnen escaleren tot een niveau, dat in decennia niet meer is voorgekomen – waarbij de Britse militaire inlichtingendienst ongetwijfeld opnieuw een rol zal spelen.

Over Gavin O’Reilly:
https://en.wikipedia.org/wiki/Gavin_O%27Reilly

Overgenomen van:

History Repeats Itself – Death Squads Re-Emerge In Occupied Ireland

Plaats een reactie